Press "Enter" to skip to content

De paradox van dingen regelen

Vooruit, nog één keer dan: God schiep de wereld, de Hollanders maakten Nederland en de Belg wordt geboren met een baksteen in de maag. Oftewel, de Nederlander bedrijft ruimtelijke ordening en de Belg bouwt architectuur. Architectuur? Dat zou je op het eerste gezicht niet vermoeden in het land van de Ugly Belgian Houses, waar het ontbreken van Welstandscommissies leidt tot ‘Belgische toestanden’. Maar inmiddels legt Nederland het pijnlijk af tegen het ambachtelijk architectonisch vernuft van de onze zuiderburen, zo bleek onder andere uit de gezamenlijke tentoonstelling Maatwerk twee jaar geleden in Frankfurt. SuperDutch is superdood.

De Vlaamse architectuur mag steeds interessanter worden, met de ruimtelijke ordening is het droevig gesteld. Maar daar wil Vlaams Bouwmeester Leo Van Broeck nu verandering in brengen. Met de documentairefilm Plannen voor plaats en de publicatie Antropocentrisme 2.0 toert hij momenteel door het land. Boodschap: we moeten nu stoppen België verder vol te bouwen voordat het bijkomende mobiliteitsprobleem onoplosbaar wordt en de natuur kapotgaat. Voor Nederlanders moeilijk voor te stellen dat een dergelijk pleidooi voor centraal gepland bouwen nodig is: langs dit discours wordt in ons land al honderd jaar compact gebouwd. Het binnenstedelijk verdichten zit diep in alle vezels van ons beleid verweven, met boekwerken aan beeldkwaliteitsplannen, stadsvisies, welstandsnota’s van dien.

Het uitdijen van Vlaanderen waartegen Leo Van Broeck ten strijde trekt, is rechtstreeks gevolg van de ruimtelijke politiek die sinds de jaren vijftig is gevoerd. Onder leiding van politicus De Taeye werden stimuleringsmaatregelen ingevoerd die het bouwen van eigen woningen voor burgers financieel zeer aantrekkelijk maakten. Terwijl Nederland sinds de Woningwet van 1901 bouwde aan collectieve woongebouwen om de binnensteden demografisch gemengd te houden, verhief Vlaanderen zijn volk door van iedere arbeider een huizenbezitter te maken: twee uitersten van ruimtelijk-sociale ideologie.

Maar nu moet België dus een beetje meer Nederland worden. Want de Nederlanders kunnen zo goed organiseren. Dat konden we tweehonderd jaar geleden ook al, toen België eventjes behoorde tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Onder aanvoering van koning Willem I hebben we tussen 1815 en 1830 naast talloze verharde wegen een stuk of wat enorme kanalen gegraven, gelijke munt en een uniform metrisch en juridisch systeem ingevoerd, en per ongeluk ook de beruchte taalstrijd veroorzaakt door van het Nederlands de verplichte onderwijstaal te maken. Dat soort ordeningsdrang krijg je de Vlaming nog niet zo gemakkelijke door de strot geduwd. België verklaarde zich prompt onafhankelijk en trok zich terug op z’n eigen kavel.

Architectonisch zijn de Vlaamse verkavelingen niet het bewijs dat particulier opdrachtgeverschap automatisch leidt tot kwaliteit, zoals voorstanders van het opheffen van de Nederlandse Welstandscommissies graag bepleiten. Maar Nederland is ook niet het bewijs dat centraal plannen automatisch leidt tot interessante architectuur. De keerzijde van al dat plannen, regelen en vastleggen is namelijk middelmatigheid: een bulk aan gebouwen die aan alle regels voldoen maar weinig opwindend zijn. Hoe goedbedoeld ook, het vastleggen van een kwalitatieve ondergrens verwordt in Nederland regelmatig tot de bovengrens aan vrijheid die de opdrachtgever z’n architect gunt. Tel daarbij op dat Belgische architecten juridisch een veel sterkere positie hebben dan de Nederlandse collega’s en het is geen wonder dat de Nederlandse architectuur zich minder vernieuwt.

Waar België veel kan leren van onze ruimtelijke ordening, is het voor Nederland interessant om zich af te vragen waarom de zuiderburen tegenwoordig zulke goede architecten zijn. Zijn de omstandigheden die de Ugly Belgian Houses mogelijk maken misschien wel dezelfde als die de Belgische architectuur de laatste decennia doen bloeien? Heeft goede architectuur misschien wel iets met loslaten te maken?
En wat wellicht ook bijdraagt: in Antwerpen hebben ze een Vlaams Architectuurinstituut. Zoiets stond er ook ooit in Rotterdam.

bron beeld: www.architect.be

 

Van de schildpad en de haas

‘Sommige dingen moeten gewoon snel worden gemaakt’, zei de Vlaamse architect Paul Robbrecht eens over zijn concertgebouw in Brugge. Prijsvraag winnen, ontwerp uittekenen, heien, bouwen en hup twee jaar later is het klaar: een knaloranje bakbeest in het fijnmazige historische centrum.

Vaak zien we het omgekeerde: dingen die langzaam tot stand komen hebben meer kwaliteit, zoals veel gebouwen in historische steden. Langzaam bouwen was geen bewuste keuze, maar een noodgedwongen gevolg van brand, blikseminslag, oorlog, instorting of lege kas. Dat zien we vrij expliciet bij de gotische kathedralen, waar toeristenbordjes in verschillende kleuren de bouwperiodes aanduiden die stuk voor stuk enkele generaties bloed, zweet en tegenslag representeren. Koor 1145, schip 1180, voorportaal 1215, brand 1293… en dan lag zo’n kerk er weer gewond bij. Maar een gewond gebouw bood ook kansen voor vernieuwing van de architectuur, niet in de laatste plaats omdat de verantwoordelijke bisschop, bouwmeester of beeldhouwer toch allang niet meer leefde. Veel kathedralen werden zo vergaarbakken van stijlen, ornamenten en bouwmethoden. Chartres kreeg na driehonderd jaar een totaal andere tweede toren en de kathedraal van Beauvais is nog steeds niet afgebouwd.

Die flexibiliteit heeft een enorme kracht: de mogelijkheid zich aan te passen aan nieuwe ruimtelijke behoeften, smaak en voorkeuren. Een onaf of gewond gebouw toont zich in z’n kwetsbaarheid, maakt dat je je er op een nieuwe manier toe kunt verhouden; het kan daarom van iedereen worden. 

Een andere kerk waar nogal lang over gedaan wordt, is de Sagrada Familia in Barcelona. Alleen daar leidt de onaffe situatie juist niet tot verandering van plannen. We proberen nu al honderd jaar lang precies het ontwerp van het wereldberoemde genie Antonio Gaudí voort te zetten door zo goed als het kan in zijn hoofd te kruipen. Bij de Sagrada Familia heeft de mate van onafheid geen enkele invloed op het ontwerp; verandering van inzicht is niet aan de orde. Straks is de kerk af en is zij voor altijd perfect, onaantastbaar en helemaal alleen van Gaudí. Nee, dan de Middeleeuwers, die waren tenminste flexibel. Zou de Sagrada Familia niet veel sterker zijn als zij nooit wordt afgebouwd?

Een onaf gebouw is leuk. Je kunt je ertoe verhouden, het draagt de belofte van verandering in zich, doet onverwachte dingen. En daarin lijkt een onaf gebouw wel wat op een extreem snel ontworpen gebouw. Zo snel ontworpen dat je niet alles in de hand hebt. Sneller dan de dienstdoende stedenbouwkundige kan beginnen over de principes van Jan Gehl, sneller dan de buurt bezwaren kan maken, sneller dan de bouwkosten gemoeid met lange bouwtijd, steigers en onderaannemers gecompenseerd worden met bezuinigingen op alles wat raar en overbodig is. Sneller dan de twijfel.

Concertgebouw Brugge

En dan maak je dus bijvoorbeeld een oranje bakbeest; een ruimtelijke ervaring die je niet eerder had, een gebouw zo lomp dat het alles kan hebben; een gebouw zo fascinerend dat je erbij wil horen. Een gebouw waarin niet alles tot in de puntjes is uitgedacht, waar niet elke beslissing volledig is doorgedacht of van tevoren voorzien. Dan krijg je restruimtes, onbestemde hoeken, vreemde trappen. Zo’n gebouw waar mensen met de tijd hun eigen invulling aan kunnen geven. Een gebouw dat zich door z’n enorme snelheid openstelt voor eindeloos trage aanpassingen. 

Misschien hebben extreem snel en extreem langzaam ontworpen gebouwen wel eenzelfde kracht.

Crooked timber 

Nehru Place: een informele markt in Dehli waar mobieltjes worden verhandeld, computers gerepareerd en Bollywood-filmboxes staan uitgestald. Het plein lijkt, zo beschreven, vooral een krioelende massa van sjacheraars en troepjes, maar voor socioloog Richard Sennett is Nehru Place exemplarisch voor de bruisende dynamiek van de grote stad: hier ontstaan creatieve start-ups, onverwachte ontmoetingen, nieuw manieren van ruimtegebruik.  Sennetts meest recente boek is één grote lofzang op de grote stad. Niet als Ideaalstad, maar als menselijke habitat met alle complexiteit, smerigheid en botsingen van dien. ‘Out of the crooked timber of humanity, no straight line was made’, zei Kant (ongetwijfeld niet in het Engels) en zo, zegt Sennett, is ook de stad crooked.

In Building and Dwelling. Ethics for the City (2018) buitelen de ideeën over elkaar heen: van stadssociologie, -filosofie en -wetenschap tot anekdotes uit Sennetts eigen ontwerppraktijk. Dat alles wordt opgediend in aangenaam gedoseerde hoeveelheden met één rode draad: de zoektocht naar het maken van een ‘open stad’.
De open stad zoals Sennett die definieert, biedt ruimte voor locale, spontane en zelforganiserende processen. Zoals in het Greenwich Village van Jane Jacobs, maar dan passend bij de schaal en het tempo van de huidige stedelijke vraagstukken. De miljoenensteden in China, de klimaatverandering, de wereldwijde migratie… die opgaven kunnen niet allemaal worden ontworpen op de microschaal van The Death and Life of Great American Cities, stelt Sennett. Maar hoe dan? Het antwoord daarop vindt hij in het begrip ‘open stad’.

Sennets open stad wordt vooral gemaakt met taal. Synchroniciteit, porositeit, asymmetrie, onvolledigheid, ambiguïteit en uitnodigen, zaaien, verwonderen, tegenspreken. Het is een mix van Hertzberger, Van Eyck, Jan Gehl en Robert Venturi, aangevuld met Alejandro Arivenna. Geen nieuwe inzichten, wel een inspirerende bundeling.
Maar concreet? De voorbeelden van een geslaagde open stad zijn bepaald niet bottom-up of lokaal georganiseerd. Het opschalen van Jane Jacobs neemt enorme vormen aan: denk aan de kabelbaan naar de sloppen van Medellín, de bibliotheken van diezelfde stad, de wateropgave van New Jersey. Wie lokale dynamiek een blijvende plek wil geven in de stad, heeft paradoxaal genoeg veel macht, mandaat en budget nodig.

Over hoe zo’n open stad eruit moet zien, doet Sennett geen uitspraken. Wel over hoe die er níet uit moet zien: Form-follows-function vindt hij niet in orde. Net zomin als de tegenhanger New Urbanism; allebei gesloten systemen die zich niet kunnen aanpassen of ontwikkelen in de tijd. Ook problematisch vindt hij de smaak van de middenklasse die houdt van een traditionele stijl. ‘The asymmetry between making a project of good design quality and inhabitants’ desire has to be resolved in some way.’ Maar zou sommige openheid er niet onopvallend, behoudend of onspectaculair uit kunnen zien?

Gelukkig kan ‘gesloten’ zich mettertijd wel transformeren tot open. Sennett looft het aanpassingsvermogen van de boulevards van Parijs en Berlijn en de blokken van Cerdà: van 19e eeuws bourgeois uitsluitingsprincipe naar 21e-eeuwse ontmoetingsplekken voor iedereen. Openheid kent vele gedaanten.
Misschien valt het pleidooi van Sennett daarom wel het beste te begrijpen vanuit de omkering: wie veel macht, mandaat en budget heeft, creëert absoluut niet automatisch een open stad. Hit-and-run-ontwikkelaars ontwerpen geen leefomgeving voor de lokale cultuur  maar een derivatenpakketje met wat vastgoed er in. Wie een open stad wil maken heeft behalve macht vooral een open blik en houding nodig. Een open houding voor zaken die nooit perfect coherent zijn en dat ook niet moeten zijn. Uit de botsingen tussen de geplande en geleefde stad, of, zoals Sennett het noemt, tussen ville en cité, ontstaat precies de gewenste schots-en-scheve stadsdynamiek van innovatie en emancipatie.

bron beeld: scaffmag.com

 

Vol en zat

Een lichte schroom bekruipt me als de metselaar uitlegt hoe je met een voegspijker de mortel uit moet krabben. Ben ik nou archi-tekt, de hoogste timmerman? De laagste zul je bedoelen. Mortel mengen, profielen uitzetten, de voegen borstelen, dat alles kan ik niet. Ik kan misschien wel in Autocad een Noors kettingverband uittekenen (hoewel het nog knap lastig kan zijn om daar goed uit te komen), maar ik weet niet wat dat allemaal betekent voor de dagelijkse werkzaamheden van de metselaar.
Tak! Met de troffel een steen doormidden geslagen. Ja, zo leg je een kop in een steensmuur. Maar probeer nu eens een drieklezoor in een rechte lijn af te tikken; ik sla alleen maar splinters. Na een uur zwoegen vertoont mijn eerste gemetselde muurtje onbedoelde krommen in alle richtingen en vallen er onverwachte gaten in de stootvoegen omdat ik niet ‘vol-en-zat’ heb gemetseld: voldoende specie tussen alle stenen.
Nee, metselen leer je niet in een achternamiddag. Herhaling, routine, automatisering. Net zolang totdat ‘de hand zelf gaat denken’, zoals socioloog Richard Sennett beschrijft in The Craftsman.

Tot in de 18e eeuw was het niet ongebruikelijk dat metselaars via een avondopleiding opklommen tot architect. Van handwerk naar hoofdwerk, met kennis van alle tussenliggende stappen. Sterker nog, die pragmatische kennis van architecten was soms zo vanzelfsprekend dat op tekeningen niet eens het metselverband hoefde te worden uitgetekend.
Tegenwoordig heeft een scherpe arbeidsdeling ervoor gezorgd dat ‘hoogopgeleide’ ontwerpers niet of nauwelijks weet hebben van het ambacht van ‘laagopgeleide’ vakmensen. En echte vakmannen zijn steeds moeilijker te vinden, hoor je overal. Bovendien doet de vreemde situatie zich voor dat er steeds meer ‘traditionele’ woningen worden neergezet die buitengewoon on-traditioneel zijn vervaardigd. Deze huizen kennen niet de bijzondere verbanden, voegen of beëindigingen van de architectuur waarnaar ze verwijzen, maar zijn gewoon halfsteens doorgejakkerd. Louter de aanblik van baksteen is kennelijk voldoende; hoe dat materiaal wordt toegepast doet niet terzake. Baksteen als behang. Daar is dus niet eens een gespecialiseerd vakman voor nodig.

Wat moeten we daar als ontwerpers mee? Ons verdiepen in baksteen natuurlijk! We hoeven niet per se de omgekeerde weg van onze 18e eeuwse collega’s af te leggen of minimaal 10.000 uur met de troffel in de hand door te brengen, maar we moeten wel weten hoe het metselwerk voelt, ruikt, klinkt, kapot gaat. Om er wat meer van te maken dan behang.
Bijvoorbeeld: Navoegen kan pas 14 dagen na het uitkrabben van de constructieve voeg. Die moet namelijk eerst uitharden, anders trekt het vocht er uit. Aanbrengen gaat met een voegbord; een soort dienblad waarmee je de mortel in de voeg schuiert en in dezelfde beweging aanduwt, van rechts naar links voor rechtshandigen. Voordeel: de mogelijkheid om de voegen in samenspel met het baksteenpatroon te ontwerpen via kleur, diepteligging en afwerking.
Je kunt de voeg ook doorstrijken. Met een klein rollertje ga je direct na het metselen langs de voeg, waardoor deze zo’n 2 cm dieper in de gevel komt te liggen. En klaar is de muur. Doorstrijken is twee weken sneller en goedkoper dan navoegen, maar voegt niks toe. 

Ontwerpcreativiteit staat niet los van de realiteit van de bouwplaats. Proporties van gebouwen, indeling van de gevel, plaatsing van de openingen, dat alles hangt samen met begrip van de kleinste module: de steen. Sinds de 18e eeuw zijn de architectuuropleidingen steeds verder gescheiden van de praktijkopleidingen in de bouw. Misschien moesten we dat toch eens heroverwegen.

Met dank aan de Masterclass Baksteen van de KNB op 20 september 2018.
Lees ook: ‘Hoe doe je dat eigenlijk?!’ Archined,  19.01.17

 

 

Voetbal in cadeaupapier

In een tijd van satellietfoto’s en GPS is het moeilijk voor te stellen hoe revolutionair de eerste wereldkaart moet zijn geweest: niet eerder was er een geografisch overzicht geweest van de totale oppervlakte van de aardbol. Allereerst moest even worden vastgesteld dat de aarde niet plat was. En toen kwam het vraagstuk van wat dan de juiste weergave van de aardbol op een platte kaart is. Ieder die wel eens een voetbal in cadeaupapier heeft moeten pakken, begrijpt de ingewikkeldheid van dit vraagstuk. Het past nooit, je houdt altijd stukjes over en het patroon van het papier raakt akelig vervormd.

Het was Gerardus Mercator die in 1569 de standaard zette voor de verdere ontwikkeling van dé wereldkaart zoals we die tot op de dag van vandaag gebruiken. Mercator plaatste een cilinder rondom een globe, waardoor hij de meridianen loodrecht op de breedtecirkels kon uitzetten. Deze uitvinding heet de Mercator-projectie. Het fysieke model van dit wiskundig probleem werd onlangs nagebouwd in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam.

Op basis van het systeem van Mercator maakten 17e-eeuwse cartografen zoals Abraham Ortelius, Joan Blaeu en Jodocus Hondius de eerste wereldkaarten. Deze waren samengesteld met behulp van verschillende bronnen zoals handelsroutes, kaarten uit de klassieke oudheid en locale jagers- en visserskaarten van over de hele wereld. Weliswaar niet zonder onjuistheden, maar toch een onvoorstelbare opening in het denken van de 17e-eeuwer: voor het eerst was zijn geografisch besef gerelateerd aan een overzicht.

Toch bestaat over de juistheid van de Mercatorprojectie tot op de dag van vandaag discussie; het pakpapier kan immers op verschillende manieren rond de voetbal gevouwen worden. De projectie is ideaal voor de scheepvaart, maar toont grote vervormingen hoe verder je van de evenaar komt. Groenland wordt bijvoorbeeld bijna 17 (!) keer groter weergegeven dan de reële oppervlakte van het land bedraagt. En waarom is noord eigenlijk boven, ligt Europa in het midden en de ‘knip’ in de Indische Oceaan? Het zonnestelsel kent toch geen absolute oriëntatie?!

De Dymaxion kaart kent geen boven of onder. Alle continenten zijn met elkaar verbonden in plaats van gescheiden door oceanen. bron: www.raremaps.com

In 1943 presenteerde uitvinder-architect Buckminster Fuller zijn Dymaxionmap, een op driehoeken gebaseerd vouwblad dat de oplossing bood voor dit soort vraagstukken. Met deze kaart kan de aardbol worden gevouwen tot een icosaëder: een regelmatig twintigvlak. Deze kaart kent een stuk minder vervormingen dan de Mercatorkaart. De continenten liggen niet gescheiden door oceanen maar aan elkaar geschakeld doordat de Noordpool in het ‘midden’ ligt. Uniek aan deze kaart is dat hij geen boven-en onderkant heeft, want de driehoeken kunnen op verschillende manieren ten opzichte van elkaar worden uitgevouwen. Een kaart met een politieke boodschap: er is niet één wereldkaart en we zijn allemaal met elkaar verbonden.

Ook zeer politiek geladen is de oppervlaktegetrouwe Gall-Peterskaart. De vervormingen van de Mercatorprojectie zijn hierin gecorrigeerd, waardoor we Afrika bijvoorbeeld ineens in z’n ware grootte zien: veel groter dan we ooit dachten. Om deze reden verkozen sommige basisscholen in Engeland en de VS de kaart als onderwijsmateriaal: de westerse wereld beslaat maar een klein deel van de werkelijke aardoppervlak, is de boodschap. Maar ook de Gall-Peterskaart kent z’n nadelen. De totale oppervlaktes van de landen kloppen weliswaar, maar de absolute afmetingen zijn juist ernstig verstoord. Afrika lijkt hier twee keer zo lang als breed, terwijl in werkelijkheid deze afstanden ongeveer even lang zijn. Misschien wel geschikt voor het politiek besef van Engelse kindertjes, maar niet zo handig voor de zeevaart.
Wie een bol op een vlak projecteert blijft nou eenmaal problemen houden. Iedere weergave is gebaseerd op keuzes; een waardevrije afbeelding van het aardoppervlak bestaat niet.


beeld: 
Installatie in het Scheepvaartmuseum Amsterdam

 

 

Mozaïek van ruimtes

Italië: het paradijs van de drempelruimte. Op een willekeurig plein loop je via de zuilengang naar binnen door een poort. Dan een binnenhof, nog een poort, een paar treden en dan pas ben je binnen. Geen harde grens tussen openbaar en privé maar eerst een stukje onbestemd tussengebied. Arcade, loggia, zuilengalerij, veranda, atrium, hofje, balkon, binnentuin, patio, peristilium, buitentrap: het instrumentarium van de Italiaanse tussenruimte is rijk. Het is de zachte grens tussen buiten en binnen, privé en openbaar, controle en vrijheid. Of, wat Herman Hertzberger noemde: gebieden met verschillende gradaties van territoriale aanspraak. 

Onbestemd tussengebied is geweldig. Een goed gebouw heeft er veel van. Een luie trap, een atrium, een gang die twee keer zo breed is als Bouwbesluit; allerlei ruimtes die niet meetellen in de verkoop. Het voelt anders, je gedraagt je anders, je zoekt contact met de omgeving. Te veel onbestemd tussengebied, denk aan de eindeloze grasvelden van de naoorlogse strokenbebouwing, is alleen maar onbestemd. Het gebied moet wel ‘tussen’ blijven. Tussen het ene en het andere. Tussen het binnen en het buiten. 

Voor de architecten van de jaren zestig en zeventig was het duidelijk: voldoende van dit soort overgangsgebieden leiden tot een betere samenleving. Mensen kunnen elkaar leren kennen, voelen zich eigenaar van de plek, nemen verantwoordelijkheid over het beheer. In  Steden vol ruimte levert Rudy Uytenhaak een interessante kritische noot bij het werk van Hertzberger: ‘Om de kans op ongewenste ontmoetingen en onderlinge irritaties zo klein mogelijk te maken houden wij de semi-openbare route in onze gebouwen zo kort mogelijk. Herman Hertzberger en Le Corbusier stimuleerden onderlinge ontmoetingen in hun woongebouwen juist. […] Zo’n benadering, romantisch aantrekkelijk, kan eigenlijk alleen echt werken als de doelgroepen precies gedefinieerd en min of meer verwant zijn.’

Uytenhaak is net als Hertzberger een architect die ontwerpt vanuit de mensen en het gebruik. Hun verschil in opvatting over de gang illustreert treffend de steeds veranderende dynamiek tussen gebruikers en gebouwde omgeving. Niet het gebouw, maar het tijdperk verandert. Het optimisme van een samenleving waarin de gedeelde ruimte (letterlijk en figuurlijk) zo groot mogelijk moest zijn, heeft plaats gemaakt voor de realiteit van de metropool waarin ‘anonimiteit’ een kwaliteit is in plaats van een tekortkoming. Niet iedere ontmoeting is altijd maar wenselijk. 

Er bestaat dan ook niet zoiets als een absolute relatie tussen gebouwde omgeving en betekenis. Deze verandert continu, omdat de samenleving continu verandert. De intentie waarmee een gebouw is neergezet kan haar betekenis verliezen. Het tegenovergestelde gebruik blijkt er ook in te huisvesten en gebouwen blijken ook een hele andere betekenis te kunnen krijgen dan oorspronkelijk de bedoeling was. Ruimtes hebben geen absolute, intrinsieke betekenis. Groot is niet per definitie moderner dan klein. Laag is niet per definitie menselijker dan hoog. Open is niet per se democratischer dan dicht. Irritant toch, als ontwerper voor een leeg vel papier. Je hebt lang nagedacht over een visie op de maatschappij en dan wil je dat daar als vanzelf de juiste vorm uit voortvloeit. Of andersom: je hebt naar beste vermogen al je intuïtie en artisticiteit ingezet om iets prachtigs te maken en dan blijken alleen dictators interesse in je ideeën te hebben.

En dan is het een kleine denkstap om te stellen dat ruimtes maar beter een niet-betekenis moeten hebben. Is het dan niet toekomstbestendiger om een zo neutraal mogelijke omgeving te maken die ruimte biedt aan alle kenmerken van de moderne conditie? Ruimtes zo neutraal, zo open en transparant dat ze überhaupt niks kunnen betekenen? Spaces of flows: ‘Het is een architectuur van de stilte, maar die juist daardoor het vermogen heeft om de moderne stedeling drempelloos in contact te brengen met de ontregeling, de chaos en uiteindelijk ook de eenzaamheid die onherroepelijk vastzit aan de space of flows als exemplarische situatie van onze moderne ervaring.’ Aldus Ed Taverne in het essay ‘Drempelloze Stedelijkheid’ (1998) over de spaces of flows van Manuel Castells.  Van een architectuur die de samenleving zou moeten vormgeven, naar een zwijgend grens-loos stedelijk interieur. Van de continue ontmoeting naar de vrijheid om anoniem te zijn, metropolitaan te leven, snel en geruisloos te bewegen en vooral met velen te zijn.

Inmiddels is de interesse in de architectuur van de flows weer een beetje getemperd. De moderne conditie is een betekenis die momenteel wat minder wordt gezocht in de stad. De nieuwe opgaven richten zich op binnenstedelijke verdichting, klimaatadaptatie, veranderende demografie. En dat lijkt gepaard te gaan met een hernieuwde interesse in de grenzen tussen binnen en buiten, collectief belang en individu, de ontmoeting en de betekenis van ruimtes. Alleen noemen we dat nu inclusiviteit, resilience, way-finding of identiteit. Het zou best eens kunnen dat het bijpassende instrumentarium zich daarbij opnieuw richt op het ‘mozaïek van ruimtelijke relaties’, om met Hertzberger te spreken, een instrumentarium dat net zo rijk aan ingrediënten is als de Italiaanse drempels.

 

 

Lush… met mate

Wie ooit in de Baarsjes heeft gewoond, blijft altijd een beetje verslaafd aan die expressionistische baksteenarchitectuur van de late Amsterdamse School. Die architectuur is natuurlijk op veel meer plekken in de stad te zien. Maar in de Baarsjes heeft het de juiste dosering.

Terwijl Berlages Plan Zuid wereldberoemd werd, bleef Plan West relatief onbekend. Onterecht. Plan West vormt inderdaad niet een iconische nieuwe structuur zoals Plan Zuid met z’n driehoekige vorm, maar volgt braaf het slootjespatroon van de oorspronkelijke buurgemeente Sloten. Het is wat lager, niet de 5 lagen met kap van Zuid, maar gemiddeld 4. Het is, heel klassiek, bedacht vanuit een plein: het Mercatorplein met z’n herkenbare torens vormt het centrum van de wijk. Vanuit daar verbinden lange assen het plan met de rest van de stad. In de tussengelegen straten liggen allerlei kleinere pleintjes, onopvallend, losjes, nauwelijks herkenbaar op de schaal van de hele stad. Het plan schreeuwt niet, maar het weeft de stad aan elkaar. Dit is een stuk stedenbouw waarmee je als beginnend ontwerper waarschijnlijk geen prijsvraag wint. Daarvoor is het te bescheiden. Berlage, Van der Mey, Staal, Roodenburgh en consorten waren dan ook bepaald geen onbekenden toen Plan West in 1922 werd gepresenteerd.

Hoe ontstond zo’n plan in die tijd? Bedacht het stadsbestuur gewoon dat die weilanden een woonwijk moest worden? Welnee, public-private-partnership bestond 100 jaar geleden ook al. Het was bouwondernemer Heere van der Schaar die initiatief nam om de nieuwe wijk van 6000 (!) woningen te realiseren. Van der Schaar had eerder al met Plan Zuid 2000 woningen ontwikkeld en de gemeente ging akkoord met de annexatie van gemeente Sloten, onder voorwaarde dat de beroemde Berlage wederom hoofdarchitect van het project zou worden. Vanuit de gemeente werden een sterk team aangesteld om de uitbreiding één stedenbouwkundig geheel te laten vormen. Hoofdontwerper van Publieke Werken Hulshoff en de architecten Gratama en Versteeg vormden het driemanschap dat we nu een ‘supervisoren-team’ of ‘kwaliteitscommissie’ zouden noemen; alle drie leerlingen van Berlage. Deze commissie had niet een toetsende functie, zoals de Welstandscommissies van nu, maar een ontwerpende, sturende rol. Zo werd Plan West ontworpen vanuit een samenhangend ensemble van straatwanden, pleinen en hoogteaccenten. Standaardplattegronden en een standaardpalenplan voor de hele wijk vergrootten het tempo van de hele operatie tot in een monsterprestatie. De 6000 woningen waren in 4 jaar tijd gebouwd.

Strenge architectonische regels waarmee een volledig stedenbouwkundig ensemble wordt vormgegeven zie je tegenwoordig niet veel in stadsontwikkeling. Beeldkwaliteitsplannen doen in algemene zin uitspraken over kleur- of materiaalgebruik, alleen komt dat meestal niet tot uiting in het ensemble maar in het individuele pand, waarbij liefst iedere daklijn net 50cm verschilt van de buurman. De bedoeling hiervan is natuurlijk om de eindeloos doorgestempelde tunnelbekistingen te voorkomen, maar het is de vraag of je daarmee de beoogde visuele rijkdom creëert.

Plan West. Bron: amsterdamse-school.nl

We zien aan de Baarsjes, net als aan andere wijken van de Amsterdamse School, dat een ontwerpbenadering vanuit het silhouet van de straatwand helemaal niet hoeft te leiden tot eentonige horizontaliteit. De visuele rijkdom bevindt zich enerzijds op niveau van het ensemble: zoals langgerekte erkers langs een deel van de straat, en anderzijds op een detailniveau: brievenbussen, deurknoppen, wulps uitstekende erkers, veranderende metselverbanden. Maar juist de dak- en rooilijnen liggen vast en er is geen enkele uitdrukking van de individuele woning: je zou kunnen stellen dat er stedenbouwkundig tamelijk weinig gebeurt. Terwijl we weten dat zich achter de gevels exact dezelfde woningplattegronden bevinden, wacht iedere 10 meter wel een nieuwe verwondering op straat. Het veranderend beeld is geen uitdrukking van programmatische verschillen, maar compositorisch samengesteld, als pictoreske ervaring van de wandelaar op straat. In de tussenruimte bevindt zich de visuele/ruimtelijke kick van de weelderigheid.

In Plan Zuid kan zelfs een getrainde architect nog altijd verdwalen: driehoekvormige stratenplannen zijn verwarrend. Net als een vijfhoekig park, zoals Kevin Lynch beschreef in zijn studie naar Boston in Image of the City. De Boston Common was voor veel tekenaars van zijn mental maps  een enorme hersenkraker: dat het een vijfhoekige vorm had, daar waren weinig mensen zich van bewust. De lol van de Baarsjes is juist de combinatie van die weelderige architectuur met relaxte stedenbouw. Iedere tweede straat een klein pleintje, accentuering van hoeken en vooral heldere oriëntatie op de grote assen. De weldaad wordt zo precies geen overdaad.

 

Googlemapistan

Wat heeft Google Maps toch een radicale vernieuwing gebracht in het verschijnsel kaart. Niet meer een uitvouwbaar stuk papier met een detailbeschrijving van een klein stukje land, maar alle kaarten van de hele wereld aan elkaar vastgeplakt, grenzeloos. Niet meer een vast schaalniveau bijvoorbeeld, 1:50.000 of 1: 200.000, maar eindeloos in-en uitzoomen tot je er duizelig van wordt. Van kleinste landweg tot de wereld alleen nog maar een hemellichaam is. Stadsplattegronden, wegenkaarten, geologische reliëfs en zelfs historische kaarten: alle informatie uit de hele Bosatlas bij elkaar gestopt en op elkaar gelegd in één krankzinnig simpele applicatie.

De ambitie van waaruit een project als Google Maps kon ontstaan is niet anders dan die van de 17e eeuwse Hollandse kaartenmaker Joan Blaeu, de 16e eeuwse Jacob van Deventer of inderdaad…de Bosatlas. Grote, encyclopedische projecten met als doel alles bij elkaar te brengen. En dat leidt tot fantastische projecten. De kaarten van Blaeu zijn wereldberoemde kunstwerken. De stadsplattegronden van Jacob van Deventer idem dito. Maar dat alles bij elkaar brengen… wanneer heb je voldoende in kaart gebracht? Waar eindigt het detailniveau waarop je de werkelijkheid wilt weergeven? Jorge Luis Borges schreef in Up to date naturalisme over een land waar het maken van kaarten de nationale hobby werd: “In dat Rijk bereikte de cartografiekunst zo’n graad van Perfectie, dat de Kaart van één enkele Provincie de ruimte van een hele stad besloeg, en de Kaart van het Rijk, een hele Provincie. Mettertijd voldeden deze Mateloze Kaarten niet en de Colleges van Cartografen brachten een Kaart van het Rijk uit, die de Afmeting van het Rijk had en op elk punt hiermee overeenstemde.”
Het heeft iets angstaanjagends: een kaart die de omvang van het gebied zelf aanneemt. De 1:1 kaart van de wereld of misschien nog griezeliger, een kaart die larger than life de wereld representeert. Hoe zou een 2:1 kaart van het land eruit zien?

Blaeu en van Deventer wisten natuurlijk heel erg goed waar te stoppen: op het moment dat je geen leesbare kaart meer krijgt. De kern van het vak kaarten maken is analyse en reductie van geografische informatie en het samenstellen van een goed ogend, leesbaar geheel. Het in-en uitzoomen van Google zorgt ervoor dat je niet hoeft te stoppen met het toevoegen van informatie. En dan kom je waarachtig terecht in het Rijk van Borges. Googlemapistan: het land waarvan de kaart even groot is als het land zelf. Maar hoe nuttig is het eigenlijk om deze mate van objectiviteit en realisme in kaart te brengen? Als encyclopedie en routeplanner: enorm. Om zomaar de stadsplattegrond van een onbekend plaatsje in bijvoorbeeld Colombia te kunnen bekijken: ongekend. 

Maar als ontwerper is de kaart waar alles in getekend staat compleet nutteloos. De ontwerper wil informatie kunnen organiseren, enerzijds door te analyseren wat er is, anderzijds door interessante kaartlagen samen te brengen en nieuwe verbanden aan te leggen. De ontwerper interpreteert om zo tot nieuwe inzichten te komen. Zoals bijvoorbeeld de beroemde kaart van Giambattista Nolli, waarin de kerken net zo werden geïllustreerd als pleinen: openbare ruimte. Het voordehandliggende onderscheid tussen openbare ruimte en dicht volume verdwijnt en een nieuw perspectief op de beleving van de stad ontstaat. Analysekaarten kunnen leiden tot ontwerp; zo leveren bijvoorbeeld de gecombineerde kaartlagen van stilte en zon de ideale ontwerplocaties voor speeltuinen of parken. En diezelfde kaart vertelt ook waar je het hardrockcafé zou kunnen landen: op plekken van lawaai en schaduw.

Google Maps: het summum van alle kaarten, de kaart waarna nooit meer een kaart hoeft te worden gemaakt… vanuit ontwerpperspectief is het pas het beginpunt. 

 

Hoogbouwstad

De meeste grote steden in Europa kenmerken zich door een silhouet dat we niet bij eerste aanblik kunnen identificeren. Is het Frankfurt, Moskou of London…ze zijn alle hoog, overweldigend en divers van vorm. Herkenning van de stad komt eerder van de individuele gebouwen dan van het ensemble als geheel. Hé, dat bekende gebouw van Norman Foster; dat moet dus London wel zijn. Hoogbouwsteden hebben in hun geheel geen aparte afleesbare identiteit. Juist in verscheidenheid aan kleur, materiaal en stijl lijken ze vaak op elkaar. Hoe definieer je de herkenbaarheid, het unieke karakter van een stad in tijden van de internationale architectuur van de wolkenkrabber?

Met The City of the Captive Globe (uit: Delirious New York, 1978) illustreerde Madelon Vriesendorp het ideaalbeeld van de kapitalistische vormgegeven Amerikaanse stad:een strak stedenbouwkundig grid waarna de architectuur alle kanten op kan.
De captive globe beschreef een haarscherpe scheiding tussen de disciplines stedenbouw en architectuur. De Amerikaanse stadsplanning vormde dan ook het radicale tegengestelde van de Europese traditie van grootschalige stadsuitbreidingen, waarin stedenbouw en architectuur in samenhang werden ontworpen. Stratenplan, bouwhoogtes, materialisering, woninggroottes, programma, etc… de plannen van bijvoorbeeld Haussmann, Cerdà en Berlage waren planologie, stedenbouw en architectuur in één.

Het voordeel van de grote Europese stadsuitbreidingen was een duidelijk herkenbare identiteit voor het gebied. Niet alleen letterlijk in materialisering en stijl, maar ook in culturele betekenis: architectuur en stedenbouw waren onlosmakelijk verbonden aan de ideologie die de achterliggende gedachte vormde van het plan. Haussmann wilde van de groeiende Parijse economie een wereldstad voor de bourgeoisie maken; Berlage wilde van de groeiende Amsterdamse economie een eerlijke stad voor iedereen maken. Daarin werden expliciete keuzes voor vormentaal en materiaal gemaakt die tot op de dag van vandaag de identiteit van een heel stadsdeel bepalen. Parijs = zandsteen en zinken daken. Amsterdam Zuid = wulpse baksteen. 

Nadeel van zulke integrale grootschalige plannen is dat het gruwelijk mis kan gaan. Niet in de laatste plaats om ‘trauma’s’ zoals de Bijlmermeer heeft het integrale masterplan zijn populariteit verloren. Planologie, stedenbouw, architectuur zijn in de huidige ontwerppraktijk gescheiden disciplines en komen achter elkaar in plaats van tegelijkertijd. Zo’n beetje volgens de ideologie van de captive globe. Eerst het stedenbouwkundig grid, dan de architectonische uitwerking. Hoewel…toch ook weer niet helemaal. Het ‘grid’ is tegenwoordig behoorlijk strak gedefinieerd via uitgebreide stedenbouwkundige ontwerpregels, die voor elke stad weer anders zijn.

Anti-refridgerator-look-rule, Alex Lehnerer

In het boek Grand Urban Rules (2009) bundelde architect Alex Lehnerer een verzameling van wereldwijde ontwerpregels voor steden. Het boek geeft een prachtig inzicht in de gereedschapskist van de moderne stedenbouwkundige: het ‘grid’. Welke vrijheid geef je aan de architectuur van het individuele gebouw? Opvallend veel regels gaan over de relatie van gebouwen in hun context: het uitzicht op de bergen (Vancouver, HongKong), de maatverhouding ten opzichte van andere gebouwen; de beëindiging van gebouwen aan de lucht (anti-refridgeratorlook-rule). Conclusie: de hoogbouwstad moet niet enkel een collectie van iconische projecten op een podium zijn; maar kan ook een samenhangend ruimtelijk ensemble vormen waarin het ouderwetse begrip ‘stedelijk weefsel’ een belangrijke rol speelt. 

Ergens tussen de uitersten met aan de ene kant de captive globe en aan de andere kant Berlage en Haussmann bevindt zich de ontwerpopgave voor de moderne hoogbouwstad. De ruimtelijke samenhang tussen gebouwen, de enscenering, de ritmiek van de stad, het onderscheid tussen terughoudende en opvallende architectuur en het ensemble van laag-midden-hoogbouw: al deze stedenbouwkundige vraagstukken spelen evengoed in de traditiononele Europese stad, als in de hoogbouwstad. De stricte scheiding van architectuur en stedenbouw is voor deze opgave een slecht idee; juist in de samenhang van deze disciplines kan het unieke karakter van een stad zich manifesteren.