Press "Enter" to skip to content

Mozaïek van ruimtes

Italië: het paradijs van de drempelruimte. Op een willekeurig plein loop je via de zuilengang naar binnen door een poort. Dan een binnenhof, nog een poort, een paar treden en dan pas ben je binnen. Geen harde grens tussen openbaar en privé maar eerst een stukje onbestemd tussengebied. Arcade, loggia, zuilengalerij, veranda, atrium, hofje, balkon, binnentuin, patio, peristilium, buitentrap: het instrumentarium van de Italiaanse tussenruimte is rijk. Het is de zachte grens tussen buiten en binnen, privé en openbaar, controle en vrijheid. Of, wat Herman Hertzberger noemde: gebieden met verschillende gradaties van territoriale aanspraak. 

Onbestemd tussengebied is geweldig. Een goed gebouw heeft er veel van. Een luie trap, een atrium, een gang die twee keer zo breed is als Bouwbesluit; allerlei ruimtes die niet meetellen in de verkoop. Het voelt anders, je gedraagt je anders, je zoekt contact met de omgeving. Te veel onbestemd tussengebied, denk aan de eindeloze grasvelden van de naoorlogse strokenbebouwing, is alleen maar onbestemd. Het gebied moet wel ‘tussen’ blijven. Tussen het ene en het andere. Tussen het binnen en het buiten. 

Voor de architecten van de jaren zestig en zeventig was het duidelijk: voldoende van dit soort overgangsgebieden leiden tot een betere samenleving. Mensen kunnen elkaar leren kennen, voelen zich eigenaar van de plek, nemen verantwoordelijkheid over het beheer. In  Steden vol ruimte levert Rudy Uytenhaak een interessante kritische noot bij het werk van Hertzberger: ‘Om de kans op ongewenste ontmoetingen en onderlinge irritaties zo klein mogelijk te maken houden wij de semi-openbare route in onze gebouwen zo kort mogelijk. Herman Hertzberger en Le Corbusier stimuleerden onderlinge ontmoetingen in hun woongebouwen juist. […] Zo’n benadering, romantisch aantrekkelijk, kan eigenlijk alleen echt werken als de doelgroepen precies gedefinieerd en min of meer verwant zijn.’

Uytenhaak is net als Hertzberger een architect die ontwerpt vanuit de mensen en het gebruik. Hun verschil in opvatting over de gang illustreert treffend de steeds veranderende dynamiek tussen gebruikers en gebouwde omgeving. Niet het gebouw, maar het tijdperk verandert. Het optimisme van een samenleving waarin de gedeelde ruimte (letterlijk en figuurlijk) zo groot mogelijk moest zijn, heeft plaats gemaakt voor de realiteit van de metropool waarin ‘anonimiteit’ een kwaliteit is in plaats van een tekortkoming. Niet iedere ontmoeting is altijd maar wenselijk. 

Er bestaat dan ook niet zoiets als een absolute relatie tussen gebouwde omgeving en betekenis. Deze verandert continu, omdat de samenleving continu verandert. De intentie waarmee een gebouw is neergezet kan haar betekenis verliezen. Het tegenovergestelde gebruik blijkt er ook in te huisvesten en gebouwen blijken ook een hele andere betekenis te kunnen krijgen dan oorspronkelijk de bedoeling was. Ruimtes hebben geen absolute, intrinsieke betekenis. Groot is niet per definitie moderner dan klein. Laag is niet per definitie menselijker dan hoog. Open is niet per se democratischer dan dicht. Irritant toch, als ontwerper voor een leeg vel papier. Je hebt lang nagedacht over een visie op de maatschappij en dan wil je dat daar als vanzelf de juiste vorm uit voortvloeit. Of andersom: je hebt naar beste vermogen al je intuïtie en artisticiteit ingezet om iets prachtigs te maken en dan blijken alleen dictators interesse in je ideeën te hebben.

En dan is het een kleine denkstap om te stellen dat ruimtes maar beter een niet-betekenis moeten hebben. Is het dan niet toekomstbestendiger om een zo neutraal mogelijke omgeving te maken die ruimte biedt aan alle kenmerken van de moderne conditie? Ruimtes zo neutraal, zo open en transparant dat ze überhaupt niks kunnen betekenen? Spaces of flows: ‘Het is een architectuur van de stilte, maar die juist daardoor het vermogen heeft om de moderne stedeling drempelloos in contact te brengen met de ontregeling, de chaos en uiteindelijk ook de eenzaamheid die onherroepelijk vastzit aan de space of flows als exemplarische situatie van onze moderne ervaring.’ Aldus Ed Taverne in het essay ‘Drempelloze Stedelijkheid’ (1998) over de spaces of flows van Manuel Castells.  Van een architectuur die de samenleving zou moeten vormgeven, naar een zwijgend grens-loos stedelijk interieur. Van de continue ontmoeting naar de vrijheid om anoniem te zijn, metropolitaan te leven, snel en geruisloos te bewegen en vooral met velen te zijn.

Inmiddels is de interesse in de architectuur van de flows weer een beetje getemperd. De moderne conditie is een betekenis die momenteel wat minder wordt gezocht in de stad. De nieuwe opgaven richten zich op binnenstedelijke verdichting, klimaatadaptatie, veranderende demografie. En dat lijkt gepaard te gaan met een hernieuwde interesse in de grenzen tussen binnen en buiten, collectief belang en individu, de ontmoeting en de betekenis van ruimtes. Alleen noemen we dat nu inclusiviteit, resilience, way-finding of identiteit. Het zou best eens kunnen dat het bijpassende instrumentarium zich daarbij opnieuw richt op het ‘mozaïek van ruimtelijke relaties’, om met Hertzberger te spreken, een instrumentarium dat net zo rijk aan ingrediënten is als de Italiaanse drempels.

 

 

Reageer als eerste

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *