Press "Enter" to skip to content

Vol en zat

Een lichte schroom bekruipt me als de metselaar uitlegt hoe je met een voegspijker de mortel uit moet krabben. Ben ik nou archi-tekt, de hoogste timmerman? De laagste zul je bedoelen. Mortel mengen, profielen uitzetten, de voegen borstelen, dat alles kan ik niet. Ik kan misschien wel in Autocad een Noors kettingverband uittekenen (hoewel het nog knap lastig kan zijn om daar goed uit te komen), maar ik weet niet wat dat allemaal betekent voor de dagelijkse werkzaamheden van de metselaar.
Tak! Met de troffel een steen doormidden geslagen. Ja, zo leg je een kop in een steensmuur. Maar probeer nu eens een drieklezoor in een rechte lijn af te tikken; ik sla alleen maar splinters. Na een uur zwoegen vertoont mijn eerste gemetselde muurtje onbedoelde krommen in alle richtingen en vallen er onverwachte gaten in de stootvoegen omdat ik niet ‘vol-en-zat’ heb gemetseld: voldoende specie tussen alle stenen.
Nee, metselen leer je niet in een achternamiddag. Herhaling, routine, automatisering. Net zolang totdat ‘de hand zelf gaat denken’, zoals socioloog Richard Sennett beschrijft in The Craftsman.

Tot in de 18e eeuw was het niet ongebruikelijk dat metselaars via een avondopleiding opklommen tot architect. Van handwerk naar hoofdwerk, met kennis van alle tussenliggende stappen. Sterker nog, die pragmatische kennis van architecten was soms zo vanzelfsprekend dat op tekeningen niet eens het metselverband hoefde te worden uitgetekend.
Tegenwoordig heeft een scherpe arbeidsdeling ervoor gezorgd dat ‘hoogopgeleide’ ontwerpers niet of nauwelijks weet hebben van het ambacht van ‘laagopgeleide’ vakmensen. En echte vakmannen zijn steeds moeilijker te vinden, hoor je overal. Bovendien doet de vreemde situatie zich voor dat er steeds meer ‘traditionele’ woningen worden neergezet die buitengewoon on-traditioneel zijn vervaardigd. Deze huizen kennen niet de bijzondere verbanden, voegen of beëindigingen van de architectuur waarnaar ze verwijzen, maar zijn gewoon halfsteens doorgejakkerd. Louter de aanblik van baksteen is kennelijk voldoende; hoe dat materiaal wordt toegepast doet niet terzake. Baksteen als behang. Daar is dus niet eens een gespecialiseerd vakman voor nodig.

Wat moeten we daar als ontwerpers mee? Ons verdiepen in baksteen natuurlijk! We hoeven niet per se de omgekeerde weg van onze 18e eeuwse collega’s af te leggen of minimaal 10.000 uur met de troffel in de hand door te brengen, maar we moeten wel weten hoe het metselwerk voelt, ruikt, klinkt, kapot gaat. Om er wat meer van te maken dan behang.
Bijvoorbeeld: Navoegen kan pas 14 dagen na het uitkrabben van de constructieve voeg. Die moet namelijk eerst uitharden, anders trekt het vocht er uit. Aanbrengen gaat met een voegbord; een soort dienblad waarmee je de mortel in de voeg schuiert en in dezelfde beweging aanduwt, van rechts naar links voor rechtshandigen. Voordeel: de mogelijkheid om de voegen in samenspel met het baksteenpatroon te ontwerpen via kleur, diepteligging en afwerking.
Je kunt de voeg ook doorstrijken. Met een klein rollertje ga je direct na het metselen langs de voeg, waardoor deze zo’n 2 cm dieper in de gevel komt te liggen. En klaar is de muur. Doorstrijken is twee weken sneller en goedkoper dan navoegen, maar voegt niks toe. 

Ontwerpcreativiteit staat niet los van de realiteit van de bouwplaats. Proporties van gebouwen, indeling van de gevel, plaatsing van de openingen, dat alles hangt samen met begrip van de kleinste module: de steen. Sinds de 18e eeuw zijn de architectuuropleidingen steeds verder gescheiden van de praktijkopleidingen in de bouw. Misschien moesten we dat toch eens heroverwegen.

Met dank aan de Masterclass Baksteen van de KNB op 20 september 2018.
Lees ook: ‘Hoe doe je dat eigenlijk?!’ Archined,  19.01.17

 

 

Reageer als eerste

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *