Press "Enter" to skip to content

Ruimtevrees

De column Ruimtevrees is uitgesproken ter gelegenheid van de première van Symfonie van het lichaam, een film van Monica Ruiz over de functionaliteit van Rotterdamse architectuur en de sensitiviteit van architectonische beleving. De avond vond plaats in het Postkantoor Rotterdam, tijdens de Rotterdamse Architectuur Maand 2019.

~
Eerst twee voorbeelden van ruimtevrees:
Samen met mijn dochter stap ik uit op het panoramadek van de Euromast. Een plotselinge rukwind verrast ons; ik besterf het van angst en sleur haar in blinde paniek mee naar binnen. Bij mijn weten is er nog nooit een kleuter van de Euromast af gewaaid, maar op dat moment ben ik er zeker van dat het zal gebeuren.

In de overweldigende hal van het Postkantoor in Rotterdam ben ik met mijn 1,62m op 10cm hakken nauwelijks groot genoeg om boven dit spreekgestoelte uit te komen. Jullie, het publiek, zitten zo breed verspreid dat ik moeilijk contact kan maken. Deze magistrale ruimte zal mij zo verzwelgen en ik zal onopgemerkt in het niets verdwijnen.

Symfonie van het lichaam: Er bestaat geen architectuur zonder relatie tot het menselijk lichaam. Alleen al omdat het lichaam nodig is om überhaupt ruimte te ervaren. Maar de meest sterke ruimtelijke ervaringen worden niet gedefinieerd door architectonische beschrijvingen als ‘hoog’, ‘breed’, ‘licht’, ‘donker’. Juist de niet-concrete eigenschappen die de architectuur oproept, zoals verlangens, herinneringen en angsten bepalen de beleving: mijn dochter valt van de Euromast, het Postkantoor verzwelgt mij.

Wie op zoek gaat naar deze niet-tastbare beschrijvingen van architectuur, komt algauw terecht bij Gaston Bachelard en zijn beroemde boek La poétique de l’espace (de poetica van de ruimte). Aan de hand van zijn begrip topoanalyse, als variant op de psychoanalyse, bestudeerde hij de plekken als dragers van ons intieme leven, dromen en herinneringen. Een huis, volgens Bachelard, moet ruimte kunnen bieden aan verschillende bewustzijnslagen. Daarin was hij vrij concreet: de kelder is er voor de diepe angsten; de zolder voor de dromen en herinneringen. Het dieper graven in de psyche van een plek gebeurt volgens Bachelard dus letterlijk in de verticaliteit.

Citaat:
‘Een onvoorstelbaar feit voor een dromer van huizen: de wolkenkrabbers hebben geen kelders. […] De liften vernietigen de heldenmoed van de trappen. Het is nauwelijks nog een verdienste dat we vlak bij de hemel wonen. Chez moi (‘Bij mij thuis’) is alleen nog maar een eenvoudige horizontale eenheid. […] waar het ontbreekt aan een fundamenteel principe om de waarden van intimiteit te kunnen onderscheiden’.

Tot zover de Parijse ‘wolkenkrabbers’ van Bachelard uit 1958. Hoe zit dat in het hedendaagse Rotterdam, met z’n echte wolkenkrabbers? Kan deze ‘functionele’ stad de ziel beroeren? Ik vind van wel. Zoals sommige muziekstukken me altijd weer precies bij hetzelfde maatcijfer de tranen in de ogen doen schieten, zo blijft mijn adem altijd weer stokken als de metro vlak voor station Rijnhaven bovengronds komt. Bam, in een keer een bak licht en ik zweef vijf meter boven het maaiveld, uitkijkend over het water, de haven, de torens…Rotterdam in al z’n Rotterdamsheid. Dat is grappig: een fysieke ervaring, letterlijk zo verticaal als Bachelard ‘m beschrijft. Van het onderbewuste van de metro direct naar de dagdromen van niveau +1. Van de kelder in één klap door naar zolder.

Rotterdam, stad van wind en regen, is inderdaad niet alleen maar behaaglijk. De stad is ook overdonderend, beangstigend, opwindend. En juist die diversiteit van ervaringen, dat mozaïek van ruimtes, maakt Rotterdam specifiek, niet algemeen. De geborgenheid van het Deliplein op nog geen honderd meter afstand van het abstracte modernisme van de Kop van Zuid, geeft Rotterdam z’n poëtische rijkdom. De stad heeft niet alleen licht-lucht-en-ruimte, maar ook duisternis, geheimen en verborgen hoekjes. Genoeg zolders en kelders voor topo-analyse.

Als ontwerpers van nog-niet-geschreven plekken kunnen we ons soms wel wat meer bezighouden met deze onbewuste lagen van ervaring van architectuur. In plaats van te ontwerpen aan de hand de dingen die we cognitief begrijpen, zoals betaalbaarheid, duurzaamheid, collectiviteit of crowd control, zou het vaker kunnen gaan over ruimtelijke eigenschappen die je níet zo makkelijk punten geeft in een prijsvraag. Zoals de verschillende stadia van intimiteit, van het ongemakkelijk verborgene tot het ziekelijk exhibitionistische; de ruimtes van angst, ongemak of extase. We zouden bijvoorbeeld kunnen nadenken over hoe publieke ruimte niet alleen wordt vormgegeven voor ontmoetingen met elkaar, maar ook met het Zelf. Of in hoeverre de collectieve identificatie met belangrijke publieke gebouwen ook ruimte kan bieden aan de individuele expressie van de dagdromende voorbijganger.

Zou het ontwerpen aan de hand van deze poëtica leiden tot andere architectuur? Ik vermoed van wel. En mocht Rotterdam dat meer nodig hebben, dan moesten we daar maar eens naar op zoek gaan.