Press "Enter" to skip to content

Witte bladzijde

Verlammende onzekerheid. In paniek staren naar een lege schetsrol. Voor menig architectuurstudent is de ‘angst voor de witte bladzijde’ een dagelijkse ervaring. Waarom komt dat geniale idee nou niet tot me? Je leest al die boeken, je bezoekt al die gebouwen, je volgt al die lezingen. Maar nog steeds is er geen goddelijke hand die je potlood over het papier leidt. Nee, dan Howard Roark, held uit The Fountainhead van Ayn Rand, die wordt gedreven door zulke compromisloze overtuigingen dat hij, ontevreden over de uitvoering van zijn ontwerp, het gebouw tot ontploffing brengt. Of Filippo Brunelleschi, die helemaal in zijn eentje de constructie voor die dubbele koepel in Florence uitvond en door niemand werd geloofd.

Studenten zoeken tevergeefs naar hun eigen onstuitbare creatieve inspiratie en raken geblokkeerd. Dat komt omdat we ze de verkeerde verhalen vertellen. Het is een misvatting dat geniale ideeën voortkomen uit moeiteloosheid. Vanuit het niets komt een creatieve bui in het hoofd van het genie en belandt op papier. In werkelijkheid gaat het er veel systematischer en geordender aan toe. Ook voor genialen als Brunelleschi was het dag en nacht werken.
Architectuurtheoretici Alexander Tzonis en Liane Lefaivre onderzochten het creatieve proces van genieën als Leonardo da Vinci, Le Corbusier en Santiago Calatrava. Zij lieten zien dat architectonische innovaties niet zomaar tot stand komen maar het resultaat zijn van veel onderzoek, trial-and-error en het bestuderen van precedenten. Bijvoorbeeld Da Vinci’s uitvinding van de hoekvormige vesting die voorgoed alle ronde bastions moest vervangen en waarin hij voor het eerst gebruik maakte van de techniek van perspectief tekenen om de banen van de kanonskogels te beschrijven. Daar waar géén kogel door de lucht vloog, tekende hij het gebouw: de beroemde stervormige plattegrond. Die vorm was al eerder bedacht maar nooit zo systematisch beredeneerd vanuit de logica buíten de bouwvorm. Helemaal niet ‘iets’ uit ‘niets’ maken, maar het logisch combineren van bestaande elementen.

Schets voor hoekvormig bastion, Leonardo da Vinci. Bron: Het architectonische denken, Lefaivre en Tzonis, 1982

Goed, van geniale architecten zijn er misschien een paar honderd geweest, de rest van de mensheid klooit maar wat aan. Maar dat klooien valt gewoon te leren. Jazeker, het veronderstelt enig ruimtelijk gevoel, maar verder bestaat ontwerpen vooral uit vaardigheden die je je eigen kunt maken. Alleen door de opgave nauwkeurig de analyseren, je te verdiepen in de context en te experimenteren met verschillende varianten, kan een geslaagd ontwerp tot stand komen. Dat wordt niet in één keer in je hoofd gevormd. Je moet verschillende tekeningen maken, neerleggen op tafel, over elkaar heen schuiven, durven benoemen wat er goed of verkeerd is en steeds verder gaan in het definiëren van de consequenties van een idee.

Voor studenten is het vaak lastig dat zowel hun tekenvaardigheden als hun kritisch vermogen en ‘innerlijke bibliotheek’ nog weinig ontwikkeld zijn. De opleiding vraagt om een ‘concept’ maar de student weet nog niet hoe je een badkuip tekent. De angst voor de witte bladzijde ontstaat dan niet zozeer uit onwil om harder te werken maar simpelweg uit gebrek aan inzicht wát te doen. Hoe ontwikkel je verschillende varianten, wat moet je analyseren, wanneer weet je of een idee goed genoeg is? Dan ontstaat er een soort schaamte over het eigen onvermogen, dat wordt gecompenseerd met krampachtig vasthouden aan dat éne idee (want als je dat weggooit heb je helemaal niets meer) en in het ergste geval frustratie dat de docent je niet begrijpt.

Het helpt studenten niet om architectonisch ontwerpen te zien als een ‘gave’ waarover je al dan niet beschikt. Architectonisch ontwerpen is een ‘vak’ waarvoor je studenten vaardigheden en gereedschap kunt meegeven. Als we ze meer onderwijzen over de geschiedenis van het ontwerpproces in plaats van het ontwerpresultaat voelen ze zich gesterkt in hun geploeter en kunnen ze daar zelfs met trots, in plaats van schaamte, over praten. Want tegen de angst voor de witte bladzijde bestaat uiteindelijk maar een remedie: méér tekenen.

**Ook het hierboven geschetste inzicht is door schade en schande tot stand gekomen…

Bron beeld Lucio Fontana: www.si.edu

 

2 Comments

  1. Roswitha 15 februari 2019

    Heel mooi verwoord, die angst dat of het idee überhaupt goed (genoeg) is! Daar heb ik zelf echt last van gehad tijdens mijn studie. Was er toen maar een docent geweest die dát doortastend had geduid en de aandacht naar de vaardigheden had gelegd. Is het dan helpend om een oplossing te geven als docent of juist meerdere oplossingsrichtingen? Zodat de student weer vertrouwen krijgt om de volgende ontwerstap te maken? Ik denk het laatste. Uiteindelijk is de voldoening immers veel groter als je het zelf hebt bedacht ipv overneemt van je docent, voor beide partijen!

  2. Paul Broekhuisen 16 februari 2019

    Op YouTube staat een prachtige video waar kunstenaar Chuck Close een brief voorleest aan zijn jongere zelf (https://youtu.be/GxR3ELuZjLw). Hij zegt: “Inspiration is for amateurs; the rest of just show up and get to work. Every inspiration I ever got, came from work itself. Sign on to a process, and see where it takes you.” Beste advies ooit gegeven. Ik heb de video wel eens laten zien aan studenten. Hoop maar dat het kwartje viel bij sommigen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *